Het wat en hoe van de Tsjechische blaasmuziek
Veel muziekliefhebbers zijn de laatste decennia besmet geraakt met het "Tsjechië-virus",
door de komst van diverse Tsjechische kapellen naar Nederland en België zoals: "Moravanka",
"Mistrinanka", "Tufaranka", "Gloria", "Zadovjaci",
"Moravenka", enz. .
Dit nadat ze eerder al "besmet" waren door Ernst Mosch die met zijn kapel,
bekend als "Ernst Mosch und seine Original Egerländer Musikanten" tienduizenden
liefhebbers heeft gewonnen voor de blaasmuziek en een eigen muziekstijl heeft ontwikkeld
op basis van volks(blaas)muziek die zijn wortels heeft in Tsjechië, het hart van
Europa.
Deze stijl is bekend als Egerländer blaasmuziek. In grote lijnen zijn er thans drie
stijlen te onderscheiden:
-
Böhmisch (Duits voor Boheems; Bohemen beslaat het westelijk
en middengedeelte van het huidige Tsjechië)
-
Mährisch (Duits voor Moravisch; Moravië is het gebied
in oostelijk Tsjechië en grenst aan Slowakije).
-
Egerländer (Duits voor Egerlander; dit is een gebied
wat een groot deel van Böhmen beslaat en genoemd is naar de rivier de Eger en de
gelijknamige hoofdplaats Eger, het huidige Cheb in zuidwest Tsjechië).
Sommige kenners maken echter alleen onderscheid tussen de Böhmische en de Mährische
stijl, waarbij voor het gemak de Egerländer en de Böhmische stijl tot één stijl
wordt gerekend. Dit komt omdat de Egerländer stijl is gebaseerd op de Böhmische
volksmuziek.
In oorsprong klopt het dus dat er 2 stijlen zijn. De Egerländerstijl heeft zich
echter dusdanig ontwikkeld dat deze in de tegenwoordige tijd tot een aparte stijl
gerekend wordt met een duidelijke Böhmische oorsprong. Ook zijn er verschillen in
bezetting tussen bijv. een Egerländer en een Böhmische of Mährische kapel.
Achtergronden bij de stijlen
Het verschil tussen deze twee hoofdstijlen is geografisch bepaald en direct terug
te voeren op de landsdelen Böhmen en Moravië, 2 gebieden in het huidige Tsjechië
met een eigen volksaard en folklore. Zo heeft Böhmen van oudsher meer Duitse invloeden
en Moravië meer Slavische invloeden. Böhmen is het westelijk en centrale deel van
Tsjechië dat beschikt over een divers landschap, van glooiend tot bergachtig en
bosrijk en is een typisch bierland.
Moravië daarentegen is veel heuvelachtiger en bekend om zijn wijnbouw. Moravië beslaat
het meer oostelijk deel van Tsjechië en grenst aan Slowakije. Moravië kan gerekend
worden tot het Slavisch deel van Europa hetgeen zijn invloed heeft op de cultuur
en volksaard.
Het Böhmisch deel heeft meer "Noord/Midden-Europese" invloeden. Een groot
deel van Böhmen is eeuwenlang (vanaf de Germanen) bewoond door Duitsers tot aan
het einde van de tweede wereldoorlog. Dit gebied is vanaf ca.1300 bekend als Egerland
en beslaat het gebied dat begrensd wordt door het Ertsgebergte (noorden), het Fichtelgebergte
en het Böhmische Wald (westen/zuiden) en de rivier de Eger (oosten). Alle plaatsen
in dit gebied hebben ook Duitse namen (gehad). Voorbeelden zijn Falkenau (nu Sokolov),
Eger (nu Cheb), Karlsbad (nu Karlovy Vary), Graslitz (nu Kraslice). Door de grote
rijkdom aan grondstoffen (kolen, zilver, koper, hout, enz.) ontstond er vanaf de
16e eeuw een periode van grote bloei. In deze rijke periode werd ook de basis gelegd
voor het ontstaan van het conservatorium van Europa zoals Böhmen ook wel wordt genoemd.
Böhmen wordt ook wel het land van de muziek genoemd. In het gebied rond Kraslice
(Tsjechië) en Markneukirchen (Duitsland) waren in de eerste decennia van de 20e
eeuw honderden zelfstandige instrumentenbouwers gevestigd die wereldwijde bekendheid
genoten om hun vakmanschap. Niet alleen blaasinstrumenten maar ook violen, harmonica's,
citers, enz. werden en worden hier gemaakt. In 1904 waren in Kraslice maar liefst
240 zelfstandigen (met hun personeel) gevestigd die allemaal instrumentenbouwer
waren of toeleverancier voor de instrumentenbouw.
De stijlen
Kenmerkend voor de Böhmische stijl is de wat, t.o.v. de Moravische, "rustiger"
speelstijl hetgeen zich bij een polka uit in een over het algemeen wat langzamer
en gemoedelijker speeltempo. Ook worden de typisch Tsjechische muzikale accenten
over het algemeen wat minder benadrukt dan in de meer Slavische stijl van de Moravische
muzikanten.
Het speeltempo in de Moravische muziek ligt duidelijk hoger en ligt voor een polka
over het algemeen rond tempo 120. Veel muziek is gebaseerd op soms al eeuwenoude
volksliedjes uit de verschillende regio's. Het speeltempo heeft een duidelijke
relatie met deze oorspronkelijke volksmuziek. De Moravische blaasmuziek is daarentegen
nog eens sterk beïnvloed door de Slavische cimbaalmuziek.
De al eerder genoemde Egerländer muziek van Ernst Mosch is een op de Böhmische muziek
gebaseerde "sound". Deze muziek is meegenomen naar Duitsland door de vele
honderdduizenden Duitse bewoners van Egerland die na WOII door de Tsjechische overheid
gedwongen werden hun geboortegrond (Egerland werd al eeuwenlang bewoond door Duitsers)
te verlaten.
Oorspronkelijk had de kapel van Mosch (een geboren Egerländer) een normale Tsjechische
bezetting (zie: "De bezetting"). Later is deze uitgebreid met bijv. een
Eb Bas, fluit, enkele tenor/baritons, trombones, meerdere flügels en een hoorn.
Naast dus een grotere bezetting, waardoor een meer orkestrale klank, ontstond, was
er begin 70-er jaren een duidelijke overgang te merken naar een meer "wollige
studioklank".
Sommige liefhebbers van het eerste uur typeerden dit als: "het is alsof er
een deken over het orkest ligt". Mag de individuele muzikant bij met name de
Moravische kapellen zo af en toe wat meer "hervortreten", bij de Böhmische
maar vooral de Egerländer kapellen moet hij vaak meer spelen ten dienste van het
collectief. Ernst Mosch omschreef dit eens als "spielen wie am Schnürchen".
De Tsjechische ritmiek
Vooral in het polkaspel komt de "Tsjechische ritmiek" tot uitdrukking.
In het notenschrift wordt dit o.a. tot uiting gebracht door syncopen en accenten.
Toch zal een niet-Tsjech dit op een andere manier spelen, terwijl de Tsjechische
muzikant het als volgt zal spelen: de 1e achtste noot "veert" een beetje
op, de 2e wordt aan de 3e en de 4e weer aan de 1e gebonden, waarbij hij de onbetoonde
achtste ietsjes breder en zwaarder speelt als verwacht zou worden.
Met name in de Moravische stijl wordt er veelvuldig gespeeld met zogenaamde "buiknoten"
op bijv. de 2e en 4 achtste uit een rij van vier achtsten onder een bindingsboog.
Een ander kenmerk is de ingekorte kwart. Vaak wordt deze iets korter dan de feitelijke
waarde gespeeld. De oorsprong ligt hier vooral in de gezongen volksmuziek. Door
een andere vocaalvorming in het Tsjechisch (Slavisch met kortere klanken dan bijv.
het Duits of Nederlands) heeft dit een directe invloed op de speelstijl en de "klinkende"
lengte van de noten. In de melodielijn van de blaaskapel worden immers de zangers
en/of zangeressen begeleid en zal de muzikant met zijn "koperen keel"
de muziek zo spelen zoals hij het zou zingen, hoewel de notenwaarde genoteerd staat
als bijv. een hele kwartnoot.
Deze speelstijl maakt de Tsjechische blaasmuziek levendiger, enthousiaster en doorzichtiger.
Minder "calvinistisch" dus dan dat de Belgische of Nederlandse koperblazer
over het algemeen speelt. De Tsjechische ritmiek was trouwens ten tijde van de Romantiek
nadrukkelijk aanwezig in de toentertijd gecomponeerde en gespeelde dansmuziek en
stond centraal in de composities van Smetana en Dvorák.
|
De Muziek
De werken die gespeeld worden bestaan voor 99% uit: polka's, walsen en Ländlers
(tsj. "Sousedska"), wat van oorsprong allemaal volksdansen zijn. Met name
in Moravië wordt nog wel eens een volksdans als bijv. een furiant in het repertoire
opgenomen.
Componisten
Bekende componisten zijn:
-
Böhmisch: Vejvoda (Skoda Lasky óf beter bekend als Rosamunde),
Poncar, Vacek, Blaha, Valdauf, Kubeš (met zijn kapel "Veselka"), Borovicka,
Skabrada en Pecha.
-
Mährisch: Prajka, Zvacek, Sedlacek, Strouhal,
F. Manas, V. Manas, Slabak, Prochazka, Kamenik, Gursky, Pfeffer, Prehnal, Strubl,
Konecny, Orsag, Ondracek, Hotovy, Hulak en Horak.
Blaaskapellen
Bekende blaaskapellen zijn:
-
Mährisch: Moravanka (Jan Slabak), Gloria (Zdenek Gursky),
Tufaranka (Jan Bilek), Mistrinanka (Antonin Pavlus), Vlado Kumpan und seine Musikanten
(Vlado Kumpan), Borsicanka (Antonin Konicek), Moravenka (Vladimir Pfeffer), Zadovjaci
(Ladislav Svoboda), tribrnanka (Vojtech Horky), Sohajka (Vojtech Duchacec).
-
Böhmisch: Veselka (Ladislav Kubeš jr.), Budvarka (Vojtech
Prokes), Budejcka Kapela (Ada Skolka), Babouci (Frantisek Petrach).
-
Egerländer: Ernst Mosch und seine Original Egerländer
Musikanten (Ernst Mosch, niet meer bestaand sinds diens overlijden, Die Egerländer
Musikanten (Ernst Hutter, min of meer een voortzetting van de kapel van Ernst Mosch),
Michael Klostermann und seine Musikanten (Michael Klostermann).
Met dank aan Albert Flikkema en de Zuidema Kapel.
|